Deel 2 van deze uitleg:
In deze zinnen is de conjunctie ook het onderwerp |
|||||
(begin) hoofdzin |
conjunctie
|
rest |
werkwoord |
(rest hoofdzin) |
|
De man, |
die |
daar |
loopt |
is mijn vader. |
|
Het boek, |
dat |
op tafel |
ligt |
is heel interessant. |
|
Vanmiddag praat ik met een vrouw, |
die |
vragen over de cursus |
heeft. |
|
|
Jullie kijken naar een tv-programma, |
dat |
heel interessant |
is. |
|
|
Probeer de oefeningen. Dan kun je zien of je het goed hebt begrepen.